Bij de visboer

Vanmiddag was ik even in Wormerveer op het Marktplein en ik besloot om een visje te gaan eten bij de visboer op de hoek. Ik bestelde een portie kibbeling en ging aan de raamkant zitten om er even van te genieten.

Naast mij kwam een oude man zitten, hij zag er een beetje sjofel uit, en hij ging nét iets te dichtbij zitten met zijn haring met uitjes. ” Zo. Hier zitten we goed” zei hij. “Ja,” zei ik, “lekker warm en droog, en met een mooi uitzicht op het plein”

Ik hoorde hoe hij aan zijn haring begon en ik griezelde een beetje, ik zag zijn slechte gebit.

“Smaakt het?” Vroeg hij. “Ja”, zei ik, “lekker, maar wel een beetje taai.” “Hoezo saai?” zei de man. “Taai!” zei ik, “T-t-t-taai” articuleerde ik nog eens nadrukkelijk. “Hebbie wel goeie tanden dan”  vroeg hij, en hij ontblootte ongevraagd de zijne.

Ik vroeg: “Hoe smaakt die haring van u?”

“Oh lekker hoor”, zei  de man terwijl hij de uitjes uit het bakje begon op te likken met zijn tong, “ik neem altijd een harinkie als ik naar het koor ga, dat smeert de keel.”

“Gaat u zo nog naar een koor dan?”

“Nee, ik ben al geweest” zei de man, “ik zing bij Alma Musica en ik neem altijd iedere week een harinkie achteraf, nooit vooraf hoor, anders stink ik zo uit mijn strot”

Ik zei: “maar als u hem vooraf neemt dan laten ze  u lekker veel solo zingen”

“Hebbie soms verstand van zingen dan, zing je zelf ook?” vroeg hij.

Ik antwoordde dat ik in een bandje zing, en hij vroeg wat voor muziek we maakten. Toen ik antwoordde dat we een beetje van alles wat speelden zei hij:

“Da’s mooi. Mijn zoon speelde ook in een bandje. Baksteen heette dat, ken je dat?” Ik kende het niet.

“Hij is nu gestopt met zingen daar, want hij is dood.”

Ik wist even niet wat ik moest zeggen.

“Hij is 40 jaar geworden” vertelde de man. “Hij had kanker.”

Ik wist niks anders te zeggen dan: “Jeetje, das ook niet makkelijk voor u”

“Ja hè, het is me wat”  zei de man. Hij stond op, zette zijn muts op en zei: “Nou, eet smakelijk nog, tot ziens”