Mischa en Djordi

“Dag mevrouw, heeft u een heitje voor een karweitje?”  

Voor mijn deur staat een klein witblond jongetje met een kuif en een donkere jongen die een stuk groter en steviger is van postuur, ik vermoed dat hij van Turkse afkomst is . Ik schat ze een jaar of 9 en ze kijken me verwachtingsvol aan. Koortsachtig begin ik te denken, want dit is te leuk om voorbij te laten gaan, maar de kranten zijn al weggebracht, de lege flessen ook en om ze de auto te laten wassen waarbij ik vermoedelijk zelf emmers met water moet aandragen heb ik niet zoveel zin.

Dan bedenk ik dat ze onkruid uit de achtertuin kunnen weghalen. Als ik ze vertel dat ik daar drie euro voor over heb die ze wel samen moeten delen reageren ze verheugd en ze willen al meteen naar de achtertuin toe rennen. Eerst vraag ik ze nog even of dit toch echt mag van hun ouders, en als de kleine blonde me verzekerd dat hij ook een telefoon op zak heeft om eventueel te bellen laat ik ze door gaan.

Ik hoef het aan de kleine blonde jongen – die Mischa blijkt te heten- nauwelijks uit te leggen, want ja, hij heeft zelf al een moestuin hoor, en dat wat daar rondzwemt  zijn muggenlarven vertelt hij -daarbij wijzend naar mijn bak met waterlelies. Het tafereel dat dan volgt maakt mijn hele dag goed.

Terwijl ik in de keuken alvast wat sta te koken hoor ik ze beraadslagen. “Oeh man! Dat zijn gewoon tomaten!!” roept Mischa tegen zijn vriend Djordi (ja, zo spel je dat, ik heb het gevraagd…).

Dan komt hij de keuken binnenwandelen en brengt me een haarspeld. Daarna een afgebroken stukje van een wasknijper en daarna een roestige spijker. Allemaal gevonden in de tuin, en eerlijk bij mij teruggebracht. De twee grote glazen limonade die ik breng gaan er grif in, en als ik vraag hoe ze elkaar kennen vertelt Mischa (want Djordi heeft tot dan toe nog geen woord gezegd, hij zit op zijn knieën gemoedelijk de plantjes tussen de stoeptegels uit te trekken) dat ze elkaar van school kennen maar dat hij inmiddels naar een andere school is want hij heeft “een beetje ADHD”

“Maar nu heb ik weer medicijnen en dat gaat een stuk beter, alleen heb ik dan af en toe van die tussenpozen he en dan ben ik ineens weer heel druk en daar heb ik zelf niet zo’n last van hoor, maar het is voor andere mensen zo rot”

Als ik weer in de keuken sta en Mischa komt belangstellend de keuken in om te vragen wat wij vanavond eten moet ik me inhouden om ze niet aan tafel te vragen: wat een heerlijk stel. Mischa vertelt dat hij en Djordi de beste vrienden zijn: “soms maken we wel ruzie hoor, of, nou ja, dan doe ik of ik een beetje boos ben, en dan maken we het wel weer goed”

Als ze klaar zijn is de uitdrukking op hun gezicht een foto waard als ze ontdekken dat het 3,90 is in plaats van de beloofde 3 euro. Mischa vertelt dat hij denkt dat hij het meest voor zich zelf mag houden omdat hij aan het sparen is voor iets en Djordi niet, maar dat vind ik toch niet zo’n goed idee.

Ze knikken allebei ernstig als ik zeg dat ze allebei even hard gewerkt hebben en dan dus allebei even veel verdienen. Bij het weggaan zwaaien ze nog even en Mischa roept: “Bedankt! Vooral voor het geld!”

Mijn achtertuin is weer keurig netjes en ik ga nog even kijken naar die muggenlarven die druk rondzwemmen en vraag me af of muggen ook ADHD kunnen hebben.

Bij de visboer

Vanmiddag was ik even in Wormerveer op het Marktplein en ik besloot om een visje te gaan eten bij de visboer op de hoek. Ik bestelde een portie kibbeling en ging aan de raamkant zitten om er even van te genieten.

Naast mij kwam een oude man zitten, hij zag er een beetje sjofel uit, en hij ging nét iets te dichtbij zitten met zijn haring met uitjes. ” Zo. Hier zitten we goed” zei hij. “Ja,” zei ik, “lekker warm en droog, en met een mooi uitzicht op het plein”

Ik hoorde hoe hij aan zijn haring begon en ik griezelde een beetje, ik zag zijn slechte gebit.

“Smaakt het?” Vroeg hij. “Ja”, zei ik, “lekker, maar wel een beetje taai.” “Hoezo saai?” zei de man. “Taai!” zei ik, “T-t-t-taai” articuleerde ik nog eens nadrukkelijk. “Hebbie wel goeie tanden dan”  vroeg hij, en hij ontblootte ongevraagd de zijne.

Ik vroeg: “Hoe smaakt die haring van u?”

“Oh lekker hoor”, zei  de man terwijl hij de uitjes uit het bakje begon op te likken met zijn tong, “ik neem altijd een harinkie als ik naar het koor ga, dat smeert de keel.”

“Gaat u zo nog naar een koor dan?”

“Nee, ik ben al geweest” zei de man, “ik zing bij Alma Musica en ik neem altijd iedere week een harinkie achteraf, nooit vooraf hoor, anders stink ik zo uit mijn strot”

Ik zei: “maar als u hem vooraf neemt dan laten ze  u lekker veel solo zingen”

“Hebbie soms verstand van zingen dan, zing je zelf ook?” vroeg hij.

Ik antwoordde dat ik in een bandje zing, en hij vroeg wat voor muziek we maakten. Toen ik antwoordde dat we een beetje van alles wat speelden zei hij:

“Da’s mooi. Mijn zoon speelde ook in een bandje. Baksteen heette dat, ken je dat?” Ik kende het niet.

“Hij is nu gestopt met zingen daar, want hij is dood.”

Ik wist even niet wat ik moest zeggen.

“Hij is 40 jaar geworden” vertelde de man. “Hij had kanker.”

Ik wist niks anders te zeggen dan: “Jeetje, das ook niet makkelijk voor u”

“Ja hè, het is me wat”  zei de man. Hij stond op, zette zijn muts op en zei: “Nou, eet smakelijk nog, tot ziens”